Hoe bepaalt een arts of iemand depressief is?

De arts gaat na óf iemands klachten en problemen voortkomen uit depressie. Zo ja, dan gaat de arts na welke vorm van depressie het kan zijn en hoe ernstig die depressie is.


De arts noemt je pas depressief als jouw symptomen een duidelijk lijden veroorzaken of als ze belemmerend werken in sociale, beroepsmatige of andere belangrijke omstandigheden.

De arts noemt je pas depressief als bovendien bepaalde oorzaken uitgesloten zijn; de symptomen mogen niet het gevolg zijn van drugs- of medicijngebruik en ook niet het gevolg van bijvoorbeeld een schildklier die te weinig hormoon aanmaakt.

De arts noemt je pas depressief als je in elk geval ofwel een verlies van levenslust vertoont ofwel een zwaar terneergeslagen stemming vertoont. Anders gezegd: iemand met depressie heeft vrijwel geen belangstelling meer voor aangename activiteiten of verkeert bijna voortdurend in gedeprimeerde sferen.


Om te bepalen hoe ‘zwaar’ iemands depressie is, letten artsen ook op hoeveel van de volgende kenmerken zich bij die persoon voordoen:

  • veranderde eetlust
  • veranderd lichaamsgewicht (opvallende afname of juist toename)
  • veranderd slaappatroon (te weinig, te veel of onregelmatig)
  • rusteloosheid
  • vertraagde beweging (psychomotorische geremdheid)
  • psychomotorische gejaagdheid
  • voortdurende vermoeidheid
  • schuldgevoel
  • (intense) machteloosheid
  • hulpeloosheid
  • (intense) besluiteloosheid
  • (bovenmatige) bezorgdheid
  • angsten
  • concentratieproblemen
  • zelfmoordgedachten.

Van chronische depressie kun je spreken wanneer iemand jarenlang een komen en gaan van depressieve perioden meemaakt, of jarenlang voortdurend een tamelijk constante vorm van gedeprimeerde stemmingen ervaart (dysthymie).